januari 2013

Het verhaal achter...aflevering 5: Spin in de morgen

Spin in  de morgen, Ploegsma 1986

Met Spin in de morgen, mijn vierde kinderboek in drie jaar tijd, maakte mijn vrouw Annette Fienieg in 1986 haar debuut als illustrator van kinderboeken. Ze wordt niet graag herinnerd aan het boek. Ze vindt haar illustraties, gemaakt met rietpen en gewassen inkt, afschuwelijk. Ik was er blij mee, het betekende het begin van vele mooie boeken die we in de jaren die volgden samen zouden gaan maken.
In het zelfde jaar als waarin onze eerste gezamenlijke boek verscheen, maakte ik ook mijn debuut als dichter met de publicatie van mijn gedicht Eigen Hulp, het elfde deeltje uit de Eenheden-reeks van uitgeverij Exponent, gedrukt op de handpers in een oplage van 90 en XXV exemplaren. En 1986 was het jaar waarin onze zoon Thijs is geboren, in de Kinderboekenweek. Voorwaar een gedenkwaardig jaar.

Spin in de morgen heb ik opgedragen aan M. Die M. staat zowel voor Marijke, de hoofdpersoon van het verhaal, als op het meisje M. waarop het verhaal losjes is gebaseerd. Voor ik aan het eigenlijke schrijven begon, op een Erica, een degelijke Oostduitse schrijfmachine, heb ik op een A-viertje genoteerd  waarover het verhaal moet gaan: ‘Het boek moet een beklemmende sfeer hebben, Marijke kan niet goed over weg met haar ouders. Haar ouders niet met haar. Bovendien is haar echte moeder dood. Ze heeft een dagboek achtergelaten, waarin Marijke niet durft en mag kijken (…) Haar nieuwe moeder ‘bedoelt het allemaal goed’ , maar kan in de ogen van Marijke weinig goed doen. (…) Marijke weet niet waaraan haar moeder is overleden (leukemie), het heeft iets met aanhoudende bloedingen te maken tijdens de ongesteldheid te maken. Marijke is nog niet ongesteld geweest, is er bang voor.(…) De beklemmende sfeer van het boek wordt heel even opengebroken door de ontmoeting met Herman, alias De spin. Een vriendschap bloeit op, op het randje van verliefdheid. Herman is 19 jaar, werkt bij de plantsoenendienst, hij is lief naïef. Zijn collega’s gaan een weddenschap met hem aan: als hij Marijke zoent, dan heeft hij een krat bier gewonnen. (…).
Waarom ik voor dit boek op deze manier heb voorbereid , weet ik niet meer. Mijn eerdere en ook latere boeken zijn meer op de tast ontstaan, dat houdt het schrijven wel zo avontuurlijk.
Er is in de pers weinig over het boek geschreven. Edith van Torre schreef: ‘De auteur geeft geen pasklare oplossing. Ze maakt slechts duidelijk  dat je niet van de ene op de andere dag in de wereld van de volwassenen kan stappen. Bij Marijke is er wel een duidelijke evolutie: aan het slot gaat ze haar stiefmoeder stilaan als haar echte moeder beschouwen.’  Haar recensie in een tijdschrift waarvan ik de naam niet meer kan achterhalen was positief, in tegenstelling tot die van Joke Linders-Nouwens in Leesgoed van 1987/1 ‘Sensatie opwinding belooft ons de achterflap en wat krijgen we? Een flauw clichématig verhaal over een ontluikend jong meisje, een stoethaspelige ervaring met een jongen die haar wil kussen en dat alles tegen een achtergrond van een moeder die op mysterieuze wijze gestorven is (hoe komen we nooit te weten), een afgesleten omgangspatroon tussen stiefmoeder en vader (…) en een stereotiepe schildering van plantsoenwerkers.’
Wat die stereotypering betreft is het wel grappig te vermelden dat mijn vader jarenlang bij de Haagse Plantsoenendienst heeft gewerkt.
Het boek, geschreven in Spanje in La Herradura, najaar 1985, kon ook niet de goedkeuring wegdragen van de Stichting Fonds voor de Letteren. De secretaris liet op 21 oktober 1987 namens het bestuur weten dat het besloten had ‘u voor de door u ingezonden publikatie getiteld: “Spin in de morgen” geen aanvullend honorarium toe te kennen. De afwijzing houdt verband met het kwaliteitsoordeel over uw publikatie.’
Blijkens het schrijven waren er 207 werken ingezonden voor aanvullende honorering. In 52 gevallen moest het bestuur helaas afwijzend beslissen. Daar was Spin in de morgen er dus één van.
In totaal zijn er zo’n 2500 exemplaren verkocht, gerekend over een jaar of vijf. Toen hield het op. De overige  1100 boeken zijn de ramsj in gegaan.

Spin in de morgen, Ploegsma 1986
Niet meer leverbaar, nog wel hier en daar in de bibliotheek te leen.

Dit was aflevering 5 in de serie: Het verhaal achter… Volgende aflevering: De club van lelijke kinderen.
 

Het verhaal achter...aflevering 4, Uit de school geklapt

Uit de school geklapt, De Harmonie 1985

Tejo, ons debuutboek moest nog uitkomen toen Harrie Jekkers en ik al begonnen na te denken over een tweede satirische roman. Heel even hebben we overwogen een vervolg op Tejo te schrijven, verteld vanuit het perspectief van zijn zoon Tjarda, maar dat idee hebben we laten varen. We wilden geen Tweejo, we wilden iets nieuws en uiteindelijk besloten we een satire op het middelbaar onderwijs te schrijven.
Hoofdpersoon van ons nieuwe verhaal werd Joop de Wit, conciërge op de Hugo de Groot scholengemeenschap voor mavo/leao, gemodelleerd naar Flip van der Pijl, de conciërge van de school waar  Harrie van 1976 tot 1980 leraar Engels was.
Net als Tejo is het boek ontstaan uit losse verhalen, dit keer geschreven voor Inzicht, maandblad van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs, met illustraties van Annette Fienieg, toen nog alleen mijn buurvrouw.
De eerste aflevering, De conciërge, Deel 1: Zand erover, verscheen in het oktobernummer van 1983.  Wanneer de laatste aflevering in Inzicht stond en hoeveel afleveringen we precies hebben geschreven, weet ik niet meer en heb ik ook nite meer in mijn archief weten te achterhalen.
We vroegen en kregen een voorschot van uitgeverij De Harmonie en we trokken ons terug in een huisje in Texel, waarvan we een paar weken later met een groot  gedeelte van het verhaal terugkeerden.  In Utrecht schreven we de rest van het boek, dat in september 1985 verscheen onder de titel Uit de school geklapt, met een omslagillustratie van Jos Collignon.
Het boek beschrijft het chaotische schooljaar van de leerlingen van 3c en hun leraren, van de rechtse leraar verkoopkunde tot de links-liberale lerares maatschappijleer, onder aanvoering van een aan drank verslaafde directeur. Conciërge Joop de Wit, tevens uitbater van de kantine beziet alles met lede ogen en probeert waar mogelijk met louche handeltjes een extra centje te verdienen, daarin bijgestaan door achterneef Thijs van Eurosnack Unlimited.
Jaco Groot van De Harmonie had ons gewaarschuwd, bij een tweede boek hebben de recensenten hun messen geslepen en hij kreeg gelijk. Werd Tejo met terugwerkende kracht nog wel aardig gevonden, voor Uit de school geklapt hadden de meeste recensenten geen goed woord over.
Frank van Dijl in het Vrije Volk van 16 oktober 1985: ‘Moest ik bij Tejo op elke bladzijde minstens drie keer hardop lachen, althans bij eerste lezing, bij Uit de school geklapt werd de lectuur door deze plezierige aandoening slechts een doodenkele keer onderbroken.’ 
Nico Hylkema van De Leeuwarder Courant kopte boven zijn recensie d.d. 11 november 1985:  ‘Satirische roman over schoolleven: in de val van het succes getrapt.’ 
Stefaen Praet was wat milder in zijn kritiek 4 januari 1986: ‘Toegegeven  de humor van Jekkers en Meinderts is niet verfijnd, noch origineel. Maar voor scholieren en al wie met enig heimwee aan zijn schooldagen terugdenkt, garandeert dit boek leesplezier.’ (De Morgen 4 januari 1986).
In 1992 nam de NCRV contact met ons op met de vraag of wij het boek wilden bewerken tot een comedyserie. Het was een genre dat we nog niet eerder hadden beoefend, hoewel we onze eerste proeve van samenwerking hadden afgelegd in het schrijven van een filmscript: Enkele reis Utrecht. Het is bij het script gebleven, de film is er nooit gekomen, maar nu kregen we dus de kans om te laten zien wat we op dat gebied waard waren. We werden begeleid door Jelte Rep, een ervaren scriptschrijver in dienst van de NCRV, en in latere instantie ook door Joost Ranzijn, de regisseur.
Op  4 januari  1993 werd de eerste aflevering uitgezonden: De nieuwe leraar,  en op 22 maart 1993 de twaalfde en laatste aflevering: Hoe groener, hoe groter.  De conciërge werd gespeeld door Peter Bos, die ik kende in zijn rol als onderwijzer Frans van der Steg in de tv-serie De Zevensprong. Nelly Frijda speelde de Duitse lerares en Geert Lageveen, de leraar Nederlands. De toen 17-jarige scholiere uit Katja Schuurman maakte als Bianca Batenburg haar debuut op tv. Ze vond het leuk om aan de comedy mee te spelen, vertelde ze me tijdens een bijeenkomst in Hilversum, maar zag zich geen carrière maken op tv. Ze wilde iets in ontwikkelingshulp gaan doen.
De tv-serie waarvan de NCRV vooraf grote verwachtingen had, viel enigszins tegen, qua ontvangst in de bladen en ook qua kijkcijfers. Een tweede serie die we graag hadden willen schrijven, ging helaas niet door. De serie is nog wel een keer herhaald.
Het boek profiteerde wel van de exposure op tv. Er verscheen in 1994 naast de reguliere uitgave bij De Harmonie ook een pocketeditie van het boek, bij Bulk Amsterdam, een deeltje in de reeks Pentabasics. In maart 1996 verscheen de achtste en laatste druk.

Uit school geklapt, De Harmonie 1985
Niet meer leverbaar, nog wel in de bibliotheek te leen.
Dit was aflevering 4 in de serie: Het verhaal achter… Volgende aflevering: Spin in de morgen.
 

Het verhaal achter...aflevering 3: Hallo Nachtvlinder!

Hallo Nachtvlinder!, Ploegsma 1984

Met mijn debuutboek Mooi Meegenomen had ik een poot tussen de deur bij uitgeverij Ploegsma. Men wilde graag een tweede boek en terwijl ik daaraan bezig was, werd ik ook gevraagd een deeltje te schrijven in de door Ploegsma ontwikkelde streepjes-serie voor moeilijke lezers: ‘… eenvoudig van taal en erg makkelijk te lezen. Maar niet saai en zeker niet kinderachtig.’ Daartoe bewerkte ik een eerder geschreven verhaal Het orgel (Vrij Nederland, 13 februari 1982). Voorjaar 1984 kwam het uit onder de titel Jarig is anders.
Omslag en illustraties waren dit keer van Jansje Bouman. De tekening voor het omslag heeft ze op mijn verzoek overgedaan, omdat ze met haar illustratie het  plot had verklapt.
In Het orgel heet de hoofdpersoon Wilma, in Jarig is anders heb ik haar naam veranderd in Anja. God mag weten waarom.De strekking van het verhaal bleef hetzelfde: een meisje dat wraak neemt op haar ouders die haar zelfs op haar eigen verjaardag als een afgericht kermisaapje dwingen voor de visite op het elektronisch orgel te spelen.
Dat ik met mijn gedachten meer bij het andere boek was, wordt pijnlijk duidelijk aan de inhoud.  In beide boeken heb ik de hoofdpersoon een oudere broer in Antwerpen gegeven. Bepaald een zwaktebod.  

Hallo Nachtvlinder! ging de opvolger van Mooi Meegenomen heten (illustraties Jansje Bouman) , een boek waaraan ik aanzienlijk langer heb gewerkt dan aan mijn debuutboek. Ik voelde toch dat er meegekeken werd.
Het verhaal gaat over Anne en Esther, twee meisjes die bij elkaar in de straat wonen, in de Lijsterstraat, in de Utrechtse Vogelenbuurt. Bij mij om de hoek. Ik woonde destijds in de Nieuwe Koekoekstraat.
Elke woensdagavond in het diepste geheim praten de vriendinnen met elkaar via een walkie-talkie en onder een schuilnaam. Anne, vanuit wie het verhaal wordt verteld, heet vleermuis en Esther nachtvlinder.
Omdat ik wist dat  het verhaal zich voor een gedeelte in Antwerpen zou gaan afspelen, heb ik in die stad voor twee maanden een kamer gehuurd, in de Tolstraat, bij een leraar klassieke talen. Daar in Antwerpen heb ik de eerste helft van het verhaal geschreven. Grappig genoeg het gedeelte dat in Utrecht speelt. Op het moment dat in het verhaal Anne naar België vertrekt, verhuisde ik juist weer terug naar Nederland.

‘Is alles wat er in uw boek staat echt gebeurd?’ willen kinderen vaak weten als ik op klassenbezoek ben. Nee, is het antwoord. Maar in Hallo Nachtvlinder! beschrijf ik een protestactie van grote broer Hans, uitgevoerd op Koninginnedag 1980 die ik in werkelijkheid zelf heb uitgevoerd, samen met twee vrienden.
Op 30 april 1980 besteeg Koningin Beatrix de troon en zij weigerde tegen de traditie in gevangenen strafvermindering te geven. En dat pikten we niet: aksie! Met een geleend rubberbootje staken we de Wittevrouwensingel in Utrecht over en kalkten op de muur van de gevangenis: In naam van Oranje doe open de poort.

Speciaal voor de serie Het verhaal achter… heb ik Hallo Nachtvlinder! herlezen en ik moet bekennen, dat viel niet altijd mee. Het lijkt alsof ik me anders dan bij mijn eerste boek realiseerde dat het boek voor kinderen moest worden en dus grappig, anders haken ze af. Er wordt wat afgeschaterd, er worden flauwe practical jokes uitgehaald en zelfs een belegen Belgenmop verteld. Alles om maar leuk gevonden te worden. Om triest van te worden.
Verder viel me op dat zo’n beetje alle volwassenen in het boek roken: shag, sigaretten en sigaren. En er wordt behoorlijk gedronken. Ook door Anne,  die toch pas tien jaar is. Zo krijgt ze van Lena, een oude vrouw die haar uit de Singel heeft gered en met wie ze bevriend raakt, een sneeuwwitje ingeschonken, een pilsje met 7-up. En bij haar broer Hans drinkt ze bij het eten vrolijk een paar glaasjes Lambrusco mee. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Hallo Nachtvlinder! is een vrolijk en zo nu en dan toe schijtlollig meidenboek, maar het zou niet een unverfroren Koos Meindertsverhaal zijn geweest, als niet ook de dood een rolletje had opgeëist. 
Lena, de oude vrouw in het boek vertrekt met haar woonboot naar Trir-nan-og, een mythologisch eiland voor de kust van Ierland, het land zonder tijd. Kenners van mijn werk weten dat Lena ruim 25 jaar later in De Vuurtoren reïncarneert in oma, om aan het eind van het verhaal opnieuw uit te varen, dan met een roeibootje, naar het land van de eeuwige jeugd, waar de tijd stilstaat.
In april 1986 kreeg Hallo Nachtvlinder! de eerste prijs van de Kinder- en Jeugdjury Limburg, de voorloper van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen, in de categorie 9-12 jaar. In 1991 verscheen een goedkope herdruk met een nieuw omslag.

Jarig is anders, Ploegsma 1984
Hallo Nachtvlinder! Ploegsma 1984
Niet meer leverbaar, nog wel hier en daar in de bibliotheek te leen.

Dit was aflevering 3 in de serie: Het verhaal achter… Volgende aflevering: Uit de school geklapt.

Het verhaal achter...aflevering 2: Tejo

Tejo

In het zelfde jaar dat ik met Mooi Meegenomen mijn debuut maakte als kinderboekenschrijver, verscheen ook mijn eerste boek voor volwassenen: Tejo. De lotgevallen van een geëmancipeerde man. Ik schreef het boek samen met Harrie Jekkers met wie ik in totaal vier satirische romans zou schrijven.
Hoofdpersoon Tejo, op de flaptekst omschreven als ‘een gefeminiseerde man die breien te gek vindt, bewust knuffelt en aktief niet-neukt´, heette eerst Jacques Batist. Jacques naar Jacobus, mijn doopnaam, en Batist naar de achternaam van mijn moeder. Ik had hem verzonnen voor De Onderstesteen, een links undergroundblaadje, gelieerd aan kollektief kafee de Baas aan de Biltstraat in Utrecht. Het waren de jaren tachtig van de vorige eeuw, alles was politiek en we waren links en toch leuk. Harrie als zanger van Klein Orkest en ik als schrijver van satirische stukjes.
In die tijd begon een aantal cartoonisten, waaronder Willemen, Jos Collignon en Anone, De Opstoot, een landelijk satirisch tijdschrift, waaraan Harrie en ik graag als schrijver bij wilden horen. We namen een oude column van Jacques Batist onder handen, doopten de hoofdfiguur om in Tejo, voorheen Theo, en lazen onze column (ondertitel een tikkeltje te tuinbroek) staande de redactievergadering voor. Er werd hard gelachen en we mochten voor elke nieuwe Opstoot een Tejo schrijven.  Pro deo, dat wel.
Het tijdschrift was geen lang leven beschoren, maar onze Tejo´s waren niet onopgemerkt gebleven. We kregen een telefoontje van Jaco Groot van uitgeverij De Harmonie die zei zeer geïnteresseerd te zijn in Tejo in boekvorm. We lieten alles vallen waar we mee bezig waren en gingen aan de slag. Ik achter de typemachine, Harrie ernaast en zin voor zin schreven we ons eerste boek, dat bijna niet was uitgekomen.
We hadden tot laat in de avond aan het laatste hoofdstuk gewerkt en toen we de slotzin hadden geschreven feliciteerden we elkaar en  besloten we het te gaan vieren in ons stamcafé. Het manuscript ging  mee in een plastic tas, eerst naar de kroeg en daarna naar de shoarmatent, waar we het met onze zatte koppen  bij het weggaan vergaten mee te nemen. Gelukkig ontdekten we het pas de volgende dag, anders hadden we geen oog dicht gedaan. Het was ons enige exemplaar…
De tas hing er nog en diezelfde dag nog brachten we het manuscript hoogstpersoonlijk naar De Harmonie in Amsterdam.
Er hoefde niet veel aan het manuscript te gebeuren en in november 1983 kwam het boek uit in een bescheiden oplage. De boekhandel had lauwtjes gereageerd, bij aanbieding had De Harmonie slechts 358 exemplaren weten te slijten.
We kregen een voorpublicatie in het oktobernummer van de Humanist, waarop een ingezonden brief volgde van de secretaris van de Stichting Superman, een stichting die zich blijkens hun briefhoofd ten doel stelde ‘het terugwijzen van spookrijders op de weg van emancipatie in het bijzonder de mannenemancipatie.
De secretaris had vanuit die doelstelling weinig op met Tejo: ‘Dat veel mannen lacherig, kwaadaardig of panisch reageren op emanciperende mannen geeft, lijkt mij, toch wel te denken.’ 
De brief kwam de redactie van het tv-programmma Sonja op dinsdag onder ogen en nodigde Harrie en de secretaris van Superman aan tafel voor een discussie. De uitzending miste zijn uitwerking niet. Opeens wilde alle boekhandels in heel Nederland ons boek hebben en de persen van drukkerij Hooibergen maakte overuren. Er volgde herdruk na herdruk na herduk. Tejo spoot omhoog in alle boekentoptiens in alle weekbladen. We hadden een bestseller geschreven.
Van de royalties die ik het eerste jaar ontving , kon ik in één klap al mijn schulden afbetalen die ik de afgelopen jaren had gemaakt, in de kroeg, bij mijn vrienden, mijn moeder en bij de giro. En dan was er nog genoeg geld over om tijd te kopen. Om te schrijven.
Spekkopers waren we.

Tejo. De lotgevallen van een geëmancipeerde man, co-auteur Harrie Jekkers, De Harmonie 1983
Niet meer leverbaar, nog wel hier en daar in de bibliotheek te leen 

Dit was aflevering 2 van de serie Het verhaal achter... Volgende aflevering: Hallo nachtvlinder!, Ploegsma 1984

Het verhaal achter...aflevering 1: Mooi Meegenomen

Mooi meegenomen, Ploegsma 1983

‘Gefeliciteerd met je eerste boek! Het ziet er prima uit.’  Het briefje, afkomstig van uitgeverij Ploegsma, is gedateerd 19 april 1983 en deze datum houd ik aan als het begin van mijn nu dertigjarige carrière als schrijver. 
Mooi meegenomen (illustraties René Pullens)  heet mijn debuut dat is ontstaan uit twee op zichzelf staande verhalen over dezelfde hoofdpersoon. De verhalen schreef ik voor Vrij Nederland, voor De Blauw Geruite Kiel, kweekvijver voor jong schrijftalent, onder eindredactie van kinderboekenschrijver Karel Eykman.
Ploegsma was na het lezen van mijn verhaal De eend, (VN, De Blauw Geruite Kiel, 10 april 1982) bijzonder enthousiast. ‘Wilt u ons bellen om een afspraak te maken?’ De uitgever zag in de lotgevallen van Paul, zoals ik mijn hoofdpersoon had genoemd, naar een voetbalvriendje van vroeger, een mooi kinderboek. Zou ik dat niet willen schrijven?
Waar ik destijds woonde, op kamers in een voormalig kraakpand in het centrum van Utrecht, ging dat niet lukken en omdat het nog te schrijven boek sterk zou leunen op mijn jeugd in Loosduinen, trok ik een maandje in bij mijn moeder die nog altijd in het huis woonde waar ik was opgegroeid.
In amper drie weken tijd typte ik op mijn Hermes Baby mijn eerste boek bij elkaar: een verhaal over Paul en zijn zieke oma die aan het eind van het boek haar ogen sluit.  Wind uit zee, moest het gaan heten, maar daar wilde de uitgever niet aan. Niet pakkend genoeg. Het werd Mooi meegenomen, naar een van de hoofdstukken uit het boek.
Mooi meegenomen is te beschouwen als mijn oerboek en Paul als mijn oerpersonage, een dromerige jongen, eerder een denker dan een doener. Ik zou hem daarna nog vaak oproepen, steeds onder een andere naam: als Leen, Keizer en Lucas. En zelfs in Zebedeus en Vark, respectievelijk een beer en een big, echoot Paul na.
De dood steekt meteen in mijn eerste boek al zijn kop om de hoek. Hij zou nog vaak langskomen, in de boeken over Keizer bijvoorbeeld, in Lucas in de sneeuw, in De winter van Opa Vlok en in De vuurtoren.
De latere Ballade van de Dood is in verhaalvorm terug te vinden in Mooi meegenomen. Het is het antwoord van oma op de vraag van haar kleinzoon waarom mensen doodgaan. Het verhaal, waarin de Dood wordt voorgesteld als een uiteindelijk prettig alternatief voor het eeuwige leven, verscheen als voorpublicatie in de Humanist van maart 1983  en leverde meteen een boze ingezonden brief op: 'De dood bestaat en moet bestreden worden, en om te beginnen moet men niet kinderzieltjes indoctrineren met een onontkoombare dood en deze vervolgens trachten te rechtvaardigen met een hausse aan drogredenen.’
In de pers werd ik meermalen ‘jong en veel belovend’ genoemd en de bibliotheekrecensie waarin stond dat mijn schrijfstijl  deed denken aan die van Guus Kuijer, leverde een bestelling op van 1272 exemplaren. Kom daar nu nog eens om. 
Najaar 1986 verscheen bij Annette Betz Verlag in Wenen de Duitse versie van het boek: Die Glücksmuschel, vertaald door Mirjam Pressler, met illustraties van Monika Laimgruber. En in 1990 verscheen bij Ploegsma een goedkope herdruk van mijn debuut, met een nieuw omslag. De totale oplage Mooi meegenomen bedraagt ruim 8000 exemplaren.

Mooi meegenomen, Ploegsma 1983
Niet meer leverbaar, nog wel (hier en daar) te leen.

Dit is de eerste aflevering in de serie Het verhaal achter….
Volgende aflevering: Tejo, of de lotgevallen van een geëmancipeerde man.