juni 2014

Schrijverslogboek 21 juni 2014

Lang zal ze leven, mijn eerste jeugdroman, is uit. De koning gaat uit varen en Bij ons in de familie liggen bij de drukker en  Annette is bezig met het omslag van Angelino en de drie koningen.

Ik ben even klaar met schrijven en neem de tijd om te lezen: Beautiful ruins van Jess Walter, Twee wegen van Per Petterson en What I loved van Siri Hustvedt.
De eerste twee heb ik inmiddels uit en in het boek van Hustvedt ben ik inmiddels op driekwart. Misschien ga ik daarna nog aan Longbourn van Jo Baker beginnen, maar de kans is groter dat ik het lezen laat voor wat het is en weer een beginnetje ga knagen aan een nieuw verhaal. Niet omdat de genoemde boeken mij verveelden, integendeel: ik vond ze zo mooi en zo goed geschreven, met name Twee wegen, dat ik zin krijg zelf weer te gaan schrijven.

Dat is wat het lezen van goeie verhalen  met mij doet: het zet mij aan tot schrijven.

Wat ik ga schrijven weet ik nog niet, maar van een writers block wil ik niet weten. Daarover heeft Jess Walter in het interview achterin zijn boek Beautiful ruins gezegd:  ‘My dad worked worked for forty years in an aluminium plant. I don’t think he ever got  “alumnium-block”'. 

Schrijverslogboek 2 juni 2014

Het boek is geschreven, heeft een naam -Lang zal ze leven-, en ligt in de winkel te wachten op lezers. Aan hen is nu het woord. De eerste lezers hebben inmiddels gesproken, gisteren in de kinderboekwinkel aan de Ganzenmarkt. In ruil voor een recensie kregen ze in aanwezigheid van  meneer de schrijver een high tea aangeboden.

Meneer de schrijver is 61 jaar en man en heeft een verhaal geschreven over een meisje van 16 en een oude vrouw van 84. Hij is het allebei niet en wilde van de recensenten, allen meisjes in de leeftijd van 13 tot 15 jaar, of hij dat geloofwaardig had gedaan.

Dat had hij.  

Er was thee met een smaakje, marmercake en boterkoek. Er waren donuts en smarties en er volgde een mooi gesprek over het leven, de liefde en de dood. 

Sophie wilde weten waarom ik het verhaal had geschreven waarop ik een knipsel uit de Volkskrant liet zien van donderdag 24 juli 2008, een kort bericht over twee meisjes van zeventien, Margareta en Jara, die een vrouw in een rolstoel nog net op tijd hadden weggetrokken voor een aanstormende trein: De aan de dood ontsnapte vrouw kon de reddingsactie minder waarderen: zij was naar de plek gegaan om zelfmoord te plegen.’

Op dit voorval heb ik mijn verhaal gebaseerd. Van Margareta en Jara maakte ik één meisje en noemde het  Eva. De oude vrouw pakte ik haar rolstoel af, gaf haar een naam - Ida de Graaf-, en een verleden.  Van haar doodswens bleef ik af.

Eva kreeg een fiets en ik liet haar op een dag uit nieuwsgierigheid op bezoek gaan naar de vrouw die ze het leven had gered.  En dat is mijn verhaal geworden.  Een gerealiseerde mogelijkheid. Mijn gerealiseerde mogelijkheid. Uiteindelijk vertel je jezelf, ook bij een waargebeurd verhaal.

Ik ben mevrouw de Graaf die ‘denkend aan de dood niet kan slapen’ en ik ben Eva voor wie de dag opengaat  ‘als een gouden roos.’