Amateurtje

Natuurlijk had ik veel liever beroepsvoetballer geworden. Wie wil er nu als achtjarig jongetje schrijver worden? Ik niet. Ik droomde ervan  om later als ik groot was bij Real Madrid te voetballen. Talent genoeg: ik kon de bal meer dan honderd keer hoog houden, had een mooie schaar in huis en een venijnig schot in de benen. Er was maar één obstakel op mijn weg naar Europese roem, mijn naam. Koos Meinderts, dat was toch geen naam voor een toekomstige sterspeler van Real Madrid. Die hadden klinkende namen als Ferenc Puskas, Paco Gente en Alfredo di Stefano. Voetballers met zo’n naam hoefden maar naar de bal te kijken of hij zat er al in.
Ik dacht de oplossing voor dit probleem in de taal te vinden, de letters van mijn naam stonden in de verkeerde  volgorde en schreef op een blaadje de naam waarmee ik als profvoetballer in Spanje beroemd ging worden: Sook Stredniem. Een uiterst teleurstellend resultaat. Stredniem klonk als de naam van een Russische astronaut op weg naar de maan en zo ver wilde ik niet.
Er was trouwens nog een obstakel. Ik had al vanaf mijn zesde jaar een bril, en voetballers met een bril had je niet, op Joop van Daele na, maar die was van Feyenoord.
Met een bril op kun je heel goed schrijver worden, en de basis voor mijn latere schrijverschap heb ik gelegd bij mijn oude voetbalclub, rksv GDA in Loosduinen. Op vijftienjarige leeftijd meldde ik mij aan bij de hoofdredacteur van Ons Clubblad. Of ik de wedstrijdverslagen van het eerste elftal mocht schrijven. Het mocht en al gauw schreef ik bijna heel het clubblad vol. Ik verzon nieuwe rubrieken als Dichter bij de bal, een rubriek met voetbalgedichten van bekende dichters als Willem Wilmink (over Johan Cruijff) Cees Buddingh’ (over DFC) en zo af een vers van mezelf.

Ik voetbal nog steeds, in Utrecht bij Sporting 70. Ouwelullenvoetbal, op een half veld. De jongens weten dat ik schrijf en toen Naar het noorden bekroond werd met een Zilveren Griffel werd ik omstandig gefeliciteerd. Maar ik hoefde geen kapsones te krijgen. Toen ik even later een bal hoog over het doel schoot de sloot in,  kreeg ik in plat Uteregs te horen: ‘Je ken dan wel een prijs hebben gewonnen, gozert, maar foeballe ken je nog steeds niet.’
Nee, ik kan nog steeds niet voetballen, alleen in mijn gedichten.

Als niemand kijkt dan kan ik alles
Dan ben ik de grote held
Speel ik de sterren van de hemel
Ben ik de beste van het veld.


Mijn verstand zit in mijn voeten
en als het moet ook in mijn kop
Die bal gaat in de kruising
Met een omhaal of een lob.

Ik ben beter dan Ronaldo
Als een Klaas-Jan Huntelaar
Die is met mij vergeleken
Een onbeholpen stuntelaar.

Vraag niet naar bewijzen
Waar mijn talent uit blijkt
Maar geloof me, ik kan alles
Zolang er niemand kijkt.

Dus wat sta je nou te kijken
Als je kijkt dan gaat het mis
Dan ben ik een amateurtje
En dat is het ergste wat er is.

Uit: Lezen, jaargang 12, nummer 3, 2007
Een uitgave van Stichting Lezen 

Vorige schrijfblok:  Vergeten verhaal

Geef een reactie