Liebeskaninchen

Er kan niets misgaan, ik heb eerder lezingen in het Duits gehouden, ik heb het goed voorbereid, ben een paar keer op Duitse les geweest en heb zojuist nog bij het ontbijt in het hotel alles hardop doorgenomen. Toch moet ik op weg naar het Kulturbezirk in St. Pölten waar de lezingen plaatsvinden opvallend vaak en diep zuchten.
Een maand of wat geleden werd ik gevraagd op te treden op het Kinder- und Jugendbuchfestival. Veel van mijn boeken zijn in het Duits vertaald, weinige zijn nog in druk. Mijn jongerenroman, Lang soll sie leben, vorig jaar verschenen bij Jungbrunnen in Wenen en genomineerd voor de Oostenrijkse Kinder- und Jugendliteraturpreis, is nog wel voorradig. Of ik daarover op het festival wil vertellen.
Ik ben ruim op tijd, een vrijwilliger brengt mij naar de foyer van de radio-omroep van Nieder-Österreich, waar de eerste groep al klaar zit, zo’n veertig leerlingen van twee verschillende scholen. 
Ik begin met een Mooie woorden, een gedicht in het Nederlands: ‘Dann wisst ihr wie meine Muttersprache sich anhört.’
Een enkel woordje wordt maar verstaan: zee, dichter en vleugels. Ik vertel over mijn verhalenvader, lees voor uit Die Meerjungfrau in der Badewanne (Keizer en de verhalenvader) en Ballade vom Tod (Ballade van de Dood) en kom dan bij het boek dat die morgen centraal staat: Lang soll sie leben, een roman voor jongeren over voltooid leven.
In de fragmenten die ik voorlees komt alles voorbij: God, de liefde en de (vrijwillig gekozen) dood. God en de dood worden voor zoete koek aangenomen, maar bij de liefde krijgt een aantal leerlingen het flink te kwaad. Vooral de jongens. Bij een seksscène uit het boek, lopen ze rood aan en  beginnen ze zenuwachtig te proesten. Ze weten niet waar ze moeten kijken, naar hun schoenen dan maar.Ik lees stoïcijns verder, op mijn allerbeste Duits: ‘Du hast süsse Öhrchen, weisst du das?’ flüsterte er. ‘Und ein hübsches Näschen, und du riechst so gut. Du bist mein süsses, kleines, geiles Liebeskaninchen… Komm mal her zu mir, ich hab was Leckeres für dich.’
De tweede lezing verloopt nagenoeg hetzelfde. Een van de leerlingen, een meisje natuurlijk, complimenteert me zelfs: U kunt mooi voorlezen.
Een uurtje later zit ik in de zon op een terras op het Raadhuisplein met uitzicht op de Franziskanerkirche. Der Name Gottes ist Barmherzigkeit, lees ik op een banier aan de kerk.
Zum wohl! 

Vorige schrijfblok:  Stemmen

Geef een reactie