Voorproefje

Naar het noorden, Hoogland & Van Klaveren, 2016

Net toen ik dacht: ik heb het me verbeeld, hoorde ik het weer, een langgerekte dierlijke schreeuw, als het kermen van een gewonde hond.
Mijn broertje in het bed naast me had niets gehoord. Het verbaasde me niks. Kleine Kees werd nergens wakker van. Al liet je vlak naast zijn gezicht een zak knikkers op een zinken bord neerkletteren dan nog sliep hij door. 

Het schreeuwen deed me denken aan het nachtelijke gillen van de gekken achter de muur van kliniek Rozenhove, een psychiatrische inrichting die wij onder elkaar het gekkenhuis noemde. Maar daar kon het onmogelijk vandaan komen. Rozenhove was twee jaar geleden ontruimd. De gekken moesten plaatsmaken voor soldaten.
Ik vond het niet erg dat ze moesten verhuizen. Er stond dan wel een hoge muur om de kliniek, en er liep een sloot langs, maar als een gek goed kwaad was, klom-ie zonder moeite over de muur, liep hij desnoods over het water naar de overkant en voor je het wist, stond-ie naast je bed met een mes, klaar om je keel door te snijden.
‘Je hebt teveel fantasie,’ zei mijn moeder.
Het was een zondag in mei toen ze werden opgehaald. Het fluitenkruid langs de sloot stond in volle bloei, alsof het plaatselijk had gesneeuwd.  Ik stond met mijn vader en moeder, Kleine Kees en mijn zus Nel bij de poort achter ons huis te kijken naar de gekken die in drie stadsbussen over de zandweg werden afgevoerd.
De buren stonden er ook. Ieder met hun eigen gezin bij hun eigen poort. Buiten dienst stond er op de bussen.
‘Waarom bonken ze op de ramen?’ wilde Kleine Kees weten en ik vroeg waar  de gekken naar toe werden gebracht. ‘Naar familie?’
‘Wil je dat niet meer zeggen, Jaap,’ zei mijn moeder. ‘Ze zijn niet gek, ze zijn ziek.’
We wachtten tot de bussen uit het zicht waren verdwenen en het opgewaaide stof  – het had al dagen achtereen niet geregend-  was neergedaald en toen ging iedereen weer naar binnen, op mijn moeder na. Ze liep naar de waslijn, een houten stellage, die mijn vader voor haar had gemaakt op het veldje achter ons huis. Mijn broertje liep achter haar aan. Hij ging mijn moeder helpen met knijpers aangeven. Ze hing het wasgoed op, waarna Kleine Kees zich verstopte achter de lakens die zachtjes op de wind heen en weer wiegden. 

Ik trok de dekens hoog over me heen en vouwde me zo klein mogelijk op. Op het hoge zingen van de wind in de draden van de telegraafpalen na was het angstig stil.
Het lukte niet meteen weer in slaap te komen en dus begon ik met het op alfabet opnoemen van lekkere dingen. Dat deed ik wel vaker als ik ’s nachts wakker lag. De ene keer noemde ik dieren op, de andere keer namen van kinderen bij mij in de klas of uit de buurt.  Nu dus lekkere dingen: A aardbeien, B bloemkool, C chocolademelk. 
Bloemkool, zei ik bloemkool? Is dat lekker? Ik had een pesthekel aan bloemkool, maar nu zou ik er een moord voor doen. Zelfs voor die van mijn oma, die ze altijd te lang op het vuur liet staan en de roosjes stuk gekookt opschepte op je bord met een kwak maizenapap erop, of je dat nu wilde of niet.
Ik wilde weer doorgaan met mijn lekkere-dingen-alfabet toen er opnieuw werd geschreeuwd. Zelfs Kleine Kees leek het nu gehoord te hebben. Hij draaide zich om, kreunde en sliep weer verder.
Het schreeuwen kwam van beneden, van de voorkamer, waar mijn ouders sliepen. Ze zouden mijn vader toch niet komen ophalen, zoals met buurman De Vries aan het begin van de straat was gebeurd?
Twee soldaten hadden onlangs midden in de nacht de voordeur  van zijn huis ingetrapt en hem meegenomen. Hij kreeg niet eens tijd zich fatsoenlijk aan te kleden, op blote voeten en alleen gekleed in een katoenen borstrok en lange onderbroek werd hij met de handen omhoog een auto ingeduwd.
Ik had het jammer genoeg niet zelf gezien, ik kreeg het te horen van Hans die in het huis tegenover De Vries woonde.
‘Lachen, zijn gulp stond een eindje open, je kon zijn kon zien.’
 Ik sloeg de dekens van me af en liet me uit bed glijden. Het zeil voelde koud aan mijn voeten. Op de tast vond ik mijn trui en sokken. Ik trok ze aan en liep in het donker de slaapkamer uit. Ik sloot de deur achter me en liep op mijn tenen naar de trap.
Het was nergens voor nodig zo stil te doen, het schreeuwen overstemde alle andere geluiden. Wat was er toch aan de hand?
Halverwege de trap stuitte ik op Nel. Ze zat met haar knieën hoog opgetrokken tegen de trapleuning.
‘Het is begonnen,’ zei ze.
Ik ging naast haar zitten.
‘Wat is er begonnen?’
‘De weeën,’ zei Nel. ‘Ik hoop toch zo dat we een zusje krijgen.’

Uit: Naar het noorden, Hoogland & Van Klaveren, november 2016
Met illustraties van Annette Fienieg

Het is oorlog, het is winter en in de grote steden is er nauwelijks nog te eten. Jaap, Nel en kleine Kees vertrekken per binnenschip met een grote groep ondervoede 'bleekneusjes' naar het platteland in het noorden waar nog wel genoeg te eten is. Jaap wordt gescheiden van zijn zus en broertje en ondergebracht bij meneer en mevrouw Schut, een kinderloos echtpaar, ver van huis. Hij moet letterlijk van zich afslaan om in zijn nieuwe wereldje waarin alles vreemd is, een plek voor zichzelf op te eisen.