Week van de poëzie (1)


Elk jaar sturen Annette Fienieg en ik onze familie, vrienden, kennissen en zakenrelaties een zelfgemaakte nieuwjaarskaart.
Annette gaat over het beeld, meestal een sjabloondruk, ik over de tekst, meestal een gedicht.
Door een blessure aan haar hand kon Annette dit jaar geen nieuwe prent maken, en vanwege een dichtgeslibde dichtader lukte het mij niet meteen een gedicht te schrijven.
We besloten een passend citaat uit mijn recente roman Zien wat van gisteren overbleef te gebruiken, met daarbij Annette’s omslagbeeld.
We hadden beeld en tekst al bijna aan vormgeefster Leentje van Wirdum opgestuurd, toen ik besloot nog een keer achter de laptop te kruipen, en warempel mijn dichtader sprong open, het leverde een heel nieuw gedicht op.
Inmiddels is de kaart verstuurd en omdat het de week van de poëzie is, geef ik het gedicht nu ook prijs aan de hele wereld:

 

Ik zat naast je op ons bankje
en keek zwijgend voor me uit.
Dat nu de roerdomp zich liet horen
zijn droeve roep, een oud geluid.

De zon brak door de wolken
winterlicht viel op ons neer.
Ik zag ons zitten op ons bankje
en voelde me niet droevig meer.

Ik sloeg een arm om je schouder
jij schoof een eindje op naar mij.
Naast elkaar, nog altijd zwijgend
de wind, het wuivend riet en wij.